Er was eens…

De NHC uitgave “De Nederlandse Hoenders in perspectief” besteedt ook aandacht aan de “Vrijwel vergeten” rassen die Nederland ooit rijk was. Zij schrijft dat als bijvoorbeeld vanwege het isolement van bepaalde streken in het verleden geen of nauwelijks uitwisseling van fokdieren plaatsvindt, kunnen op wat langere termijn allerlei plaats of streekgebonden varianten ontstaan die zelfs een eigen naam krijgen.

Onderstaande ‘rassen’ zijn nooit erkend als ras. Zo lezen we in oude literatuur over:

Hollandsche Veldsche Goudpellen;
Vollenhoofsche Goudpellen;
Dedemvaartsche Goudpellen;
Smilder Roodbonten;
Hoogeveensche Zwartbonten;
Staphorster Witten;
Starumse rondkamkes;
Stoepkes, (Fr) of Bolgathinnen (bolstaarthoenders);
Krûpelhintsjes (kruiphoenders);
Toornse kraaikop (Kraaikop met tweehoornige kam).

Ook is het mogelijk dat men nieuw ontwikkelde rassen of varianten op rassen een eigen naam geeft. De volgende rassen bestonden kort en zijn nooit erkend als ras.

Beekberger Witte
Waterlandse Gele of Noord-Hollandse Gele;
Zundertse Blauwe;
Vreeburger;
Domburgs Hoen;
Noord-Hollandse Zwarte;
Gelderse Gierhak;
Gelders Hoen, deze laatste twee zijn in 1939 nog ingezonden geweest.

 

 

Starumse Rondkam

Sikke Oostenbrug schrijft in zijn beschrijving van de Friese Hoenders dat Van Gink heeft ooit een tekening gemaakt van Starumse rondkammen.Vermoedelijk was dit een kruising tussen Friese hoenders en Assendelftse hoenders. Ook is het mogelijk dat het gaat om Assendelftse hoenders zonder kamdoorn.
Als deze Starumse rondkammen hebben bestaan, dan is dit waarschijnlijk het gevolg geweest van de veerdienst tussen Stavoren en Enkhuizen. Zo is een uitwisseling tussen de rassen Fries hoen en Assendelfts hoen tot stand gekomen.

 

Groninger Nuthoen

Groninger Nuthoen

Landhoenders leken begin vorige eeuw de langste tijd gehad. Eeuwenlang, de oudst bekende resten van hoenders in Noord-Nederland zijn gedateerd uit de periode van 500 vc – 1.000 nc (Tritsum Frl.) en de periode 1.000 – 1.700 nc (Leeuwarden, Dokkum, Groningen) volstond het landhoentype uit het Noordelijke kustgebied.
Opgaand in de nieuwe tijd, zochten ook Groninger Hoenderfokkers naar een goed renderend ras dat voldeed aan de wensen van de nieuwe tijd. Meer eieren met een hoger eigewicht en een donkergekleurde schaal om het succes van de Barnevelder en de Welsummer te kunnen evenaren. Groningen kende al eigen rassen in de vorm van de Groninger Blaarkop, het Gronings paard en het uitgestorven Groninger Schaap en de Groninger gans. Daarmee is het niet verwonderlijk dat een eigen ras, zoals in het geval van de Barnevelder, Welsummer of het Twents Hoen is gefokt.
Dit nieuwe ras, gedoopt als het Groninger Nuthoen, kent echter een korte bestaansgeschiedenis en is niet als de hierboven beschreven rassen verder door het leven gegaan als sier- of tentoonstellingras.

Over het Groninger Nuthoen is vooralsnog een viertal meldingen en vijf advertenties bekend. In een overzicht van 16 nog op te zetten foktomen door de eiercommissie van de VPN-afdeling Groningen (NvhN 1913) zijn twee tomen Groninger Nuthoenders genoteerd naast Leghorns wit en patrijs, Roode IJsland, Koekoek Plymouth, Minorca’s en witte Wyandotte. In het jaar daarop wordt in het VPN orgaan het Groninger Nuthoen daadwerkelijk beschreven op welke wijze dit nieuwe ras gecreëerd is.

De zwarte Groninger Nuthoen is een middelzwaar gedrongen kip met een enkele kam, roode oorschellen, zwarte onbevederde beenen, leggende groote bruine eieren ontstaan uit zwarte Plymouth Rock x zwarte leghorns x zwarte Langshans, zwarte Minorca en de zwarte Orpington. Huisvesting: groote ren met achterin ruststokken zonder nachthok. Bevruchting uitstekend.

In een andere uitgave van het blad VPN wordt melding gemaakt van Zwarte Groninger Nuthoenders van den heer J. Olthoff, Feerwerd. Prachtige toom kippen en haan, konen minder forsch en kleiner en haan wat korter van benen zijn. Wellicht dat de invloed van de Langshans hier domineerde. Huisvesting groot, mooi nieuw nachthok, vrij uitloopende op grote met gras begroeide boomgaard.

Gedurende 1910-1915 verschijnen advertenties voor broedeieren en dieren in het Nieuwsblad van het Noorden. Aanbieder Brouwers adverteerde in 1910 “Hanen van het Groninger nuthoen uit enorm, vele en zware eieren leggende kippen”.

NvhN 21 maart 1912 – Om te fokken, een Groninger nuthoen Haan, br. 1911. Prachtig reuzendier à f 2,75. H. Heikens. Martenshoek [Hoogezand-Sappemeer]

NvhN 7 april 1915 – Broedeieren van zw. Gron. Nuthoen, leggen gele en grote eieren, zijn beste winterleggers. 10 ct. per stuk, franco Groningen. Bode Buikema Leens.

Het Groninger nuthoen is daarmee een product van de toen heersende opvatting om moderne Italiaanse, Amerikaanse en Aziatische rassen te gebruiken. Zo is de Barnevelder ontstaan uit Cochins x Croad Langshans x Brahma’s x Buff Orpington. De sterke, bruine schaal van de Barnevelder was van groot belang voor export naar Engeland.

Om toch een beeld te hebben van het Groninger Nuthoen biedt de Australorp wellicht het beste beeld. De Australorp is ontstaan uit Zwarte Orpington x Rhode Island Red x Minorca x Witte Leghorn x Langshan x Plymouth Rock.

Als ras stond de Groninger het Groninger Nuthoen eerder op de officiële kaart geplaatst dan de Groninger Meeuw (1919) waarvan sinds 1915 weinig tot niets meer vernomen is.

Groninger Meeuw Krulveer

 

 

De Zundertse blauwen

In het blad van Zeldzaam Huisdier is een afbeelding gepubliceerd van de Zundertse blauwen. Bij de afbeelding kunnen de nodige kanttekeningen worden geplaatst omdat het Zunderts hoen vermoedelijk nooit in de afgebeelde kleur heeft bestaan.

In het meinummer van Zeldzaam Huisdier gaat de redacteur van het blad René Zanderink uitvoerig in op het tot stand komen van de door Cornelis van Gink geschilderde aquarellen van 24 hoenderrassen tijdens zijn onderduikperiode tijdens de Tweede Wereldoorlog op het Instituut voor Pluimveeonderzoek. René Zanderink vraagt zich af of Van Gink ooit een artikel over het Zunderts hoen heeft geschreven. Voor zover ik kan nagaan niet. Het ras was vermoedelijk al uitgestorven of stond op het punt van uitsterven op het moment dat Van Gink werd geboren. Bovendien ontbreekt een rasbeschrijving.

Om te beginnen de naam. Het waren geen Zundertse hoenders in de blauwe kleur maar een streekras met de naam Zundertse blauwen, met vermoedelijk een koekoekkleurig of roodblauw veerpakket. Dat men over blauwen sprak is niet zo verwonderlijk. Denk maar aan de oorspronkelijke naam van het Noord-Hollands hoen, namelijk Noord-Hollandse blauwen ook een koekoekkleurig dier. De naam van dit ras is vermeld in het door Houwink geschreven, maar nooit gepubliceerde boek ‘De geschiedenis van de Nederlandse hoenderrassen’ (in 1940 afgerond).

In 1888 maakt Houwink een tweede reis door Nederland om te zien welke landhoenderrassen er nog voorkwamen. Deze keer kwam hij ook in Limburg en Noord-Brabant. Hierbij bracht hij een bezoek aan Jhr. de Jonge van Zwijnsbergen, kasteel Helvoirt bij Den Bosch. Volgens de jonkheer waren er in 1850 de volgende rassen in Noord-Brabant:

– Kuiksche patrijzen (patrijskleurig);
– Maaslandsche grijzen (zilverpatrijs);
– Peellandsche zilvers (zilverpellen);
– Peellandsche gouden (goudpellen);
– Helmondsche zwarten;
– Kempensche gelen (goudpel, licht);
– Chaamsche pellen (goudpel);
– Zundertsche blauwen (roodblauw of koekoek);
– Brakelsche pellen (donker gepeld).

Toen Houwink zijn aantekeningen over deze reis naliep, die hij in 1935 bij toeval terugvond, merkte hij dat van al deze rassen in 1888 nog slechts enkele zuivere tomen aanwezig waren, namelijk: Gennep: Kuiksche patrijzen: 3 tomen; Helvoirt: Maaslandsche grijzen: 1 toom; Valkenswaard: Peellandsche zilvers: 1 toom; Peellandsche gouden: 2 tomen; Asten: Helmondsche zwarten: 4 tomen; Riel: Kempensche gelen (goudpel): 20 tomen; Chaam: Chaamsche pellen: honderden tomen; Breda: Zundertse blauwen: 4 tomen (rood-koekoek-blauw); Breda: Brakelsche pellen (donker): veel tomen.
In zijn boek De Hoenderrassen, deel 1, 1909, pagina 146, noemt hij de Nederlandse rassen die toen in Nederland voorkwamen. Hierbij kwamen de Zundertse blauwen al niet meer voor. Wel vermeldde hij: ‘Als niet raszuiver of niet erkend worden genoemd: het Chaamsche Hoen (normaal ras), het Domburgsche Hoen (abnormaal ras).’

We moeten ervan uitgaan dat Van Gink een afbeelding heeft gemaakt van een ras dat hij nooit had gezien en waarvan geen beschrijving bestond. Gezien de naam is het niet verwonderlijk dat hij blauwgekleurde dieren heeft geschetst.

Sommige mensen veronderstellen zelfs dat het blauwe Friese hoenders zijn. Dit is niet het geval. De dieren op de aquarel van de blauwe Friese hoenders lijken qua vorm verdacht veel op de Zundertse hoenders, maar de achtergrond verschilt volledig. Bij de Friese hoenders een open landschap, bij de Zundertse hoenders een typisch Brabantse boerderij.

Ad Boks